Doorgaan naar hoofdcontent

Eerste contact



Het is de grootste boom, rechts achterin de hoek van de boomgaard. Hij staat vlak naast de bakstenen tuinmuur in het gras, je loopt erheen over een recht paadje met kiezelstenen, dat vlak voor de boom linksaf gaat en verderop weer linksaf terug richting het huis. Een brede stam met ruwe grijzige bast en dikke takken die laag beginnen, maken het makkelijk om tot bovenin te klimmen. Dit is de enige walnotenboom, daar gegroeid alsof er toevallig een walnoot gevallen was. Verder staan er wormstekige appel- en perenboompjes in het gelid, aan weerszijden van de kiezelpaadjes. Vanuit de kruin heb je zicht over de muur heen op het naastgelegen schoolplein en sportveldje waar Franse kinderen spelen.
De kinderen zien ons en beginnen te roepen. Mijn zus en ik verstaan er geen bal van, wij zijn net uit Nederland gekomen en na een korte verkenning van het huis en de tuin bovenin deze boom geklommen. Daar voelen wij ons veilig, zo hoog en binnen de tuinmuur. De kinderen roepen losse kreten, het zullen wel scheldwoorden zijn. Wij beantwoorden de kannonade uit volle borst met wat onze opvoeding ons aan scheldwoorden gelaten heeft. “Sukkel!” “Ei!” “Heks!”
Na een tijdje is het vuur er wel uit, een jongetje raapt zijn voetbal op en vertrekt. Niemand schreeuwt nog. Wij houden stand op de takken terwijl de kinderen één voor één van het veldje af slenteren. De laatste roept nog, vlak voordat ie om de hoek uit het zicht verdwijnt, met overslaande stem achterom: HEPS!

Reacties

Populaire posts van deze blog

Terug

Stuk

Een grote kerel stapt uit de vrachtwagen, zijn linkerarm eindigt in een stomp. Zijn gele jas met fluorescerende strepen blikkert me tegemoet. Daarna zie ik pas het olijke hoofd met brede grijns. Met zijn enige hand pakt hij de bediening van zijn afsleepwagen en begint het platform in de schuine stand richting wegdek te bewegen. Net als deze man heeft onze auto een defect. Bij hem zijn hand, bij ons de versnellingsbak. Wij, mijn vrouw en ik, staan langs de kant van de weg toe te kijken. ‘Wat is er aan de hand?’ roept hij. ‘Hij rijdt niet meer, versnellingsbak.’ ‘Heb je geprobeerd hem opnieuw te starten?’ ‘Starten gaat nog wel, maar hij rijdt niet meer, de versnelling doet niks.’ De man legt zijn stomp op de motorkap voor steun en hangt vlak boven het wegdek onder de bumper waar hij vaardig de haak van zijn lier aan onze auto bevestigt. ‘Waar moet ie heen?’ vraagt hij terwijl hij het stuur van de auto een ruk geeft zodat die recht aan de staalkabel op zijn sleepwagen getrokken wordt. ‘…