Doorgaan naar hoofdcontent

De tandarts

De protagonist zit in de wachtkamer van de tandarts. Hij is te vroeg maar dat geeft niet, er ligt genoeg leesmateriaal. Hij reikt over de tafel naar de nette stapeltjes, daar ligt een klassiek autoblad dat hij naar zich toe trekt. Even verzitten op de stoel en de kaft – met een schuin gefotografeerde op het eerste gezicht nogal snel rijdende slanke open sportwagen, glanzende lak, glimmend chromen bumpers en koplampen, met aan het dunne houten stuur een goedgekleed heerschap met leren hoofdbescherming annex rijbril (de tandarts zelf?) – omslaan om bij het eerste artikel te komen. Pardon, de eerste advertentie.

De protagonist slaat een aantal advertenties om en denkt aan dezelfde exercitie met een damesblad bij de kapper laatst, het duurde tot pagina 60 voordat er door de redactie gemaakte content verscheen, en dat was alleen nog de aankondiging van de inhoudsopgave. Voordat de inhoudsopgave daadwerkelijk verscheen kwamen er nog meerdere advertenties voorbij.

Hier valt het mee. Aan aan midlife-crisis lijdende heren valt misschien minder geld te verdienen dan aan over hun uiterlijk onzekere vrouwen. Hoewel de protagonist wel een vliegeniers-horloge en een paar superstrakke onderbroeken met een sixpack erboven wil kopen en twijfelt of hij zich zal inschrijven voor een exclusief (voor alle lezers in alle wachtkamers) wijn-proef-weekend in een landhuis in Frankrijk. De duidelijke, veelal eenvoudige en meestal relatief betaalbare oplossingen die geboden worden voor chronische problemen (onzekerheid over uiterlijk, angst om alleen te zijn, om vergeten te worden, om niet mannelijk genoeg te zijn) vermengd met de vrijetijdsbesteding van de maatschappelijk succesvolle mensen, waar ook de protagonist nu meer dan ooit bij wil horen, maken advertenties effectief. De blinkend gepoetste automobielen in hun schitterende decors zuigen de argeloze tijdschrift-bladeraar uit de wachtkamer naar binnen, de kritiekloze en oppervlakkige presentatie van de vlotte zonnige levensstijl der gefortuneerden vermengt zich met de prullaria die daar naast getoond worden. Want wat zou hij er niet voor over hebben om in zo’n Triumph over kronkelende weggetjes door ruige landschappen te scheuren en in een kasteel oesters te eten overgoten met de fijnste wijn en dan weer verder te scheuren want alcohol is geen probleem als je tot de upper class behoort met naast hem een beeldschone vrouw en – de Protagonist slaat het tijdschrift dicht en duwt het van zich af.

Waarom staan er geen advertenties en artikelen in die je prikkelen tot iets waar je zelf nog wat aan hebt als méns? Waarom is het allemaal toch zo commercieel? Nu ja, het antwoord zit al in de vraag. Maar waarom wij mensen dan toch steeds tijd vrijmaken om die platte rommel over onbereikbare (want van diepte ontdane) uiterlijkheden voorgeschoteld te krijgen in plaats van elke dag 20 minuten extra te mediteren of een echte roman te lezen (Tolstoj, Celine, enzovoort, niet de pulp uit de kiosk)? De protagonist schuift een stapeltje tijdschriften uit elkaar en pakt er een blij zweverig blad tussenuit. Het autotijdschrift legt hij terug bovenop en hij maakt het stapeltje weer netjes.

Even goed gaan zitten, de rug strekken en het nieuwe tijdschrift recht voor hem op tafel schikken. De kaft bevat een vloedgolf aan abstracte ranken en krullen in pastel tinten en 20 verschillende lettertypen die aankondigen wat zich erachter zou bevinden. Snel omslaan.

Hier kan de protagonist rust vinden misschien. Hier wordt hem geen ideaal gewenst leven opgedrongen dat hij eenvoudig kan bereiken door allerlei dingetjes te kopen die in de praktijk niets anders doen dan het tekort op zijn begroting te laten oplopen. Hij bladert langs advertenties voor gezonde huidcrèmmetjes, een nieuwe matras, balancerende drinkyoghurt. Mens sana in corpore sano zullen de marketing mensen denken. Een reis naar India, want we weten dat Oosterse wijsheid werkt en dat die daar geserveerd wordt bij de kip tandoori.

In de artikelen blijkt iedereen bovendien wel erg verlicht. Mensen zijn door een diep dal gegaan, dat ziet hij meteen, maar zijn daar ontzettend wijs uit bovengekomen. Luctor et emergo. Auto ongelukken, gestorven kinderen. Het is vreselijk maar niet iets waar de protagonist zich mee kan identificeren. Een semi-beroemd schrijver legt uit hoe alles liefde is, hoe je je gevoelens moet erkennen en omarmen en hoe je relaties vanzelf verdiepen als je oordeelvrij bent of snapt de protagonist het nou niet helemaal. De schrijver was ondertussen zelf wel twee keer getrouwd maar dat was vóór dat hij door had hoe je een beter mens wordt. Diepe dalen, harde leerschool, luctor et emergo, wederom.

De protagonist voelt zich weer ongemakkelijk worden. Hij mediteert bijna elke dag ’s ochtends en probeert ook oordeelvrij gewaar te zijn maar de innerlijke criticus en de controleur zijn er toch altijd meteen bij. En als hij stil zit adem te halen duurt het ook maar een fractie van een seconde of zijn geest dwarrelt mijlenver opzij, vooruit of achteruit. Laat hem gaan, denkt de protagonist dan, veroordeel hem niet, keer zelf terug naar je ademhaling. Weer die fractie van een seconde...

En overdag wordt de protagonist door beslommeringen platgedrukt. Beperkt door vervelende gevoelens, die hij blijkbaar koestert, en onmacht. Hoe anders dan deze lieve goede mensen in het blije tijdschrift, die nu begrijpen wat de essentie van leven is, van mens-zijn, en dat met de protagonist willen delen. Meestal wel in frisse kleding vanuit een zeer aantrekkelijk in beeld gebracht huis of kantoor en met een prachtig creatief beroep / superbetrouwbare nieuwe liefde / diepgaande hervonden familiebanden.

Het oog van de protagonist valt op een zesdelige cursus mindfulness. Althans, de advertentie daarvoor. Slechts een paar honderd euro. En als je geen tijd hebt kan je ook deeveedees bestellen, dat is bovendien goedkoper. De protagonist heeft geen deeveedee speler. Bestel het boek van de gevierde schrijver, zodat je ook begrijpt wat deze betere mensen bezielt, en hoe je zelf compleet wordt in plaats van zo’n zielige half blind door het leven struikelende brok foute emoties en herhalende gedachtenpatronen – de protagonist bladert snel door, of er nog andere prikkels in staan die hem niet in een duikvlucht brengen.

Zoals de opbeurende cliches waar alles tegenwoordig mee volgeprikt wordt. De cliches die holle frasen blijven tenzij je het inzicht dat erachter steekt zelf hebt gekregen, in een eigen context. Cliches die daarmee ook zelfbevestigingen zijn, zelffelicitaties eerder nog, voor de incrowd die jou als argeloze lezer wederom buitensluiten. Nu niet omdat je nooit genoeg geld zult hebben voor een rij Bentleys en een woonboerderij maar omdat je te gevoelloos bent, en te weinig buiten je comfort zone durft te komen, om stappen naar zelfrealisatie te zetten die je wél aansluiting zouden geven bij waar het in die publicaties / uitspraken / seminars / deeveedees over gaat. De protagonist voelt zichzelf steeds kleiner worden en moet nu ook dit tijdschrift sluiten en terug op de stapel leggen.

Dit helpt niet om rustig te worden voor een tandarts afspraak. De protagonist staat op zodat hij over de hele tafel kan reiken en zoekt nu tussen de stapels naar een boek met mooie rustige natuurfoto’s. Niet van die opgeblazen foto’s met zonnestralen door bladerdak, spetterende watervogels in tegenlicht, zonsondergangen bij een rotsige kust met wilde branding en eenzame vuurtoren maar gewoon rustige foto’s van bomen, van bos. Of misschien van water, wolkenluchten. Misschien een boek met schilderijen van Hollandse meesters: gezicht op Delft (Vermeer), bleekvelden bij Haarlem (Ruysdael). Maar tevergeefs.

De protagonist zakt weer op zijn stoel terug en sluit zijn ogen. Adem in, adem uit. Waarschijnlijk zou zijn perverse inborst die kunstboeken ook alleen maar als excuus aanwenden om hem te wijzen op zijn eigen tekortkomingen als gemankeerd creatieveling. Adem in, adem uit. Rustig concentreren op het lichaam dat ademhaalt. Adem in, adem uit.

De tandartsassistente roept hem.

Reacties

Populaire posts van deze blog

Terug

Eerste contact

Stuk

Een grote kerel stapt uit de vrachtwagen, zijn linkerarm eindigt in een stomp. Zijn gele jas met fluorescerende strepen blikkert me tegemoet. Daarna zie ik pas het olijke hoofd met brede grijns. Met zijn enige hand pakt hij de bediening van zijn afsleepwagen en begint het platform in de schuine stand richting wegdek te bewegen. Net als deze man heeft onze auto een defect. Bij hem zijn hand, bij ons de versnellingsbak. Wij, mijn vrouw en ik, staan langs de kant van de weg toe te kijken. ‘Wat is er aan de hand?’ roept hij. ‘Hij rijdt niet meer, versnellingsbak.’ ‘Heb je geprobeerd hem opnieuw te starten?’ ‘Starten gaat nog wel, maar hij rijdt niet meer, de versnelling doet niks.’ De man legt zijn stomp op de motorkap voor steun en hangt vlak boven het wegdek onder de bumper waar hij vaardig de haak van zijn lier aan onze auto bevestigt. ‘Waar moet ie heen?’ vraagt hij terwijl hij het stuur van de auto een ruk geeft zodat die recht aan de staalkabel op zijn sleepwagen getrokken wordt. ‘…